Re-integratie door UWV vooral (kosten)effectief voor middelbaar en hoger opgeleide WW-ers

Re-integratie door UWV vooral (kosten)effectief voor middelbaar en hoger opgeleide WW-ers

De verschillende vormen van re-integratiedienstverlening die voor ontslagwerklozen in de periode 2008-2011 zijn ingezet, vertonen duidelijke verschillen in effectiviteit naar klantgroep en moment van inzet. Dit blijkt uit een door SEO Economisch Onderzoek in opdracht van Kenniscentrum UWV uitgevoerd onderzoek.

Een selectie van de bevindingen op een rij:

  • Gesprekken van adviseurs werk met WW-klanten zijn vooral (kosten)effectief voor jongeren en mensen die door persoonlijke belemmeringen, zoals weinig zoekmotivatie of zelfvertrouwen, moeilijk aan het werk komen. Gesprekken zijn minder (kosten)effectief voor personen die door niet-beïnvloedbare kenmerken moeilijk aan het werk komen. Dit speelt onder meer bij ouderen.
  • Het eerste vervolggesprek na de intake heeft het meeste effect als het al snel, binnen twee maanden WW, wordt gevoerd.
  • Langduriger interventies zoals re-integratietrajecten en scholing zijn juist effectiever als zij pas later, na minimaal een half jaar WW, worden ingezet.
  • WW-klanten met een relatief goede arbeidsmarktpositie, zoals jongeren en middelbaar en hoger opgeleiden, zijn het best geholpen met kortdurende interventies gericht op oriëntatie, aanbodversterking en activering, ongeacht het moment van inzet. Deze mensen worden door langdurige en intensieve re-integratietrajecten als IRO’s en scholing relatief sterk opgehouden in hun zoektocht naar werk. Vanwege dit insluiteffect kunnen deze trajecten daarom het best pas na verloop van een half jaar WW worden ingezet.
  • Wanneer de kans op een langere verblijfsduur in de WW toeneemt, zoals bij ouderen met langere WW-rechten, is de kans op succes bij langdurige trajecten groter.
  • Gesprekken met de Adviseur Werk van UWV zijn bij vrijwel alle klantgroepen in de WW kosteneffectief. In de huidige re-integratiepraktijk kan die (kosten)effectiviteit nog worden verhoogd door het eerste gesprek eerder te laten plaatsvinden.

(Kosten)effectiviteit naar klantgroepen

Er bestaan belangrijke verschillen in de effectiviteit en kosteneffectiviteit van re-integratiedienstverlening tussen klantgroepen naar leeftijd, opleidingsniveau en aanwezigheid arbeidsbeperking (WIA-35min).

Bij jongeren van 18 tot en met 27 jaar zijn het vooral gesprekken met de Adviseur Werk die de kans op werkhervatting verhogen, ook binnen de relatief korte periode dat jongeren gemiddeld recht hebben op een WW-uitkering. De verkorting van de uitkeringsduur is zodanig dat gesprekken die jongeren met de Adviseur Werk hebben ook kosteneffectief zijn: ze zorgen voor een grotere besparing op uitkeringslasten dan dat ze UWV aan dienstverlening kosten. Hetzelfde geldt voor workshops die door UWV worden ingezet. Voor ingekochte dienstverlening worden bij jongeren geen of zelfs negatieve effecten gevonden. Dat wordt voornamelijk veroorzaakt door het insluiteffect: wanneer re-integratiedienstverlening wordt ingezet gedurende de relatief korte WW-duur van jongeren, zorgt dat voor minder aandacht voor het zoeken naar werk, waardoor de terugkeer naar werk wordt vertraagd.

Bij 45- tot en met 54-jarigen zijn het ook de gesprekken met de Adviseur Werk en workshops die de grootste effectiviteit opleveren. Het zijn echter vooral de middelbaar en hoger opgeleiden waarbij de besparing op uitkeringslasten de kosten van de dienstverlening ruimschoots compenseert. Dat ligt voornamelijk aan het relatief hoge uitkeringsniveau van deze groep. Positieve effecten op de kans op werkhervatting worden ook gevonden voor individuele re-integratieovereenkomsten (IRO’s) en kortdurende training bij lager opgeleide 45- tot en met 54- jarigen, maar deze effecten leveren te weinig besparing op de WW-uitkering op om kosteneffectief te zijn. Bij middelbaar en hoger opgeleide 45- tot en met 54-jarigen valt op dat scholing de werkhervatting nog sterker vertraagt dan gemiddeld in de WW-populatie.

Bij 55- tot en met 61-jarige WW-klanten was ingekochte re-integratiedienstverlening in de periode 2008-2011 vaker effectief dan bij andere klantgroepen, en dan vooral de inzet van IRO’s. Omdat deze groep gemiddeld lang in een WW-uitkering zit, speelt het insluiteffect een kleinere rol. Het positieve effect op werkhervatting geldt vooral voor middelbaar en hoger opgeleide ouderen. Hierbij is het effect van IRO’s relatief groot en de uitkering relatief hoog, waardoor de inzet van IRO’s voor deze groep ook kosteneffectief is. Ondanks de eveneens positieve effecten van kortdurende training op de werkhervatting van 55- tot en met 61-jarigen, zijn deze trainingen niet kosteneffectief. Gesprekken met de Adviseur Werk helpen vooral lager opgeleide 55- tot en met 61-jarigen bij een terugkeer naar werk. Bij middelbaar en hoger opgeleide oudere WW-klanten zijn die gesprekken nauwelijks effectief. Ook voor workshops worden geen significante effecten gevonden voor oudere WW-klanten, ongeacht het opleidingsniveau.

Bij WW-klanten met een beperkte reductie in verdienvermogen van minder dan 35 procent als gevolg van arbeidsongeschiktheid (‘WIA 35-min’) is vrijwel geen van de onderzochte vormen van re-integratiedienstverlening (kosten)effectief. Uitzondering vormen gesprekken met de Adviseur Werk, met kleine positieve effecten op de kans op werkhervatting en bescheiden kosten. Voor deze groep zijn de gebruikelijke vormen van ingekochte en eigen dienstverlening door UWV kennelijk niet toereikend om het werk (sneller) te kunnen hervatten.

Effectiviteit naar moment van inzet

Het moment waarop re-integratiedienstverlening wordt ingezet beïnvloedt de effectiviteit ervan. Wordt dienstverlening te vroeg ingezet, dan bestaat de kans dat WW-klanten die in principe op eigen kracht snel het werk zouden kunnen hervatten worden opgehouden in hun zoekproces, omdat ze zich minder (kunnen) richten op het vinden van werk en meer bezig zijn met het re-integratietraject. Dit insluiteffect werkt sterker bij intensieve re-integratietrajecten als IRO’s en scholing dan bij korte activerende interventies als workshops en gesprekken met de Adviseur Werk. Aan de andere kant kan een late inzet van re-integratiedienstverlening voor de WW-klant ook echt te laat komen, als zijn of haar arbeidsmarktkansen inmiddels zodanig zijn afgenomen dat ook via re-integratiedienstverlening weinig meer kan worden bereikt.

IRO’s die door UWV zijn ingekocht bij private re-integratiebedrijven hadden pas bij een inzet vanaf de vierde WW-maand gemiddeld een positief effect op de werkhervattingskans van WW-klanten. Bij een inzet vanaf de zevende WW-maand was het effect van IRO’s nog sterker. Inzet in de eerste drie WW-maanden resulteerde gemiddeld in een negatief effect op de werkhervattingskans als gevolg van het insluiteffect. Ook scholing heeft duidelijk negatieve effecten gehad op de werkhervattingskans bij een inzet binnen het eerste half jaar WW. Bij een latere inzet verdwenen die negatieve effecten.

Het effect van door UWV ingekochte kortdurende training was positief, substantieel en onafhankelijk van het moment van inzet. Hoewel over het algemeen niet kosteneffectief, leidde kortdurende training op elk moment gemiddeld tot een verhoging van de kans op werkhervatting. Ook de inzet van jobhunting kende nauwelijks verschil in effectiviteit naar het moment van inzet. Of er nu na twee maanden of na tien maanden werd gestart met jobhunting, in alle gevallen zorgde het gemiddeld voor eenzelfde verhoging van de werkhervattingskans.

Dat re-integratiedienstverlening ook te laat kan worden ingezet, blijkt uit de analyseresultaten voor de gesprekken met de Adviseur Werk. Zo is het eerste vervolggesprek na de intake vooral effectief wanneer dat binnen de eerste twee WW-maanden plaatsvindt. Daarna is het effect niet langer zichtbaar. Het tweede vervolggesprek moet daarentegen juist niet te snel volgen op het eerste vervolggesprek. Pas na het verstrijken van drie maanden is het effect van een tweede vervolggesprek op de werkhervattingskans significant positief. Vanaf het derde vervolggesprek speelt het moment van inzet een veel kleinere rol.

De workshops die door UWV worden verzorgd laten in het algemeen positieve effecten op de werkhervattingskans van WW-klanten zien, vanaf de vierde WW-maand is dat effect sterker dan daarvoor. Ook de inzet van competentietesten blijkt pas vanaf de vierde WW-maand significant positief te zijn. Mogelijk zijn werkzoekenden in de eerste drie maanden nog vooral bezig met het zoeken naar een soortgelijke baan als waar ze vandaan komen en staan ze pas op langere termijn open voor andere mogelijkheden. Die mogelijkheden kunnen ze ontdekken door middel van competentietesten.

Effectiviteit van telefonische versus face-to-face gesprekken

In de praktijk van re-integratiedienstverlening bij UWV vinden er inmiddels minder gesprekken face-to-face plaats. Veel dienstverlening gaat via internet (e-dienstverlening), inclusief het contact met de Adviseur Werk. Met de meeste WW-klanten wordt na vier maanden WW wel nog steeds een face-to-face gesprek gehouden, gevolgd door gesprekken in de zevende en tiende WW-maand, die voor een deel ook telefonisch plaatsvinden. Ook in de periode 2009-2011 heeft een deel van de WW-gerechtigden al te maken gehad met telefonische gesprekken met de Adviseur Werk, vaak in aanvulling op face-to-face gesprekken. Er blijkt nauwelijks verschil te zitten in het effect op werkhervatting van WW-klanten tussen beide vormen van gesprekken. De huidige praktijk bij UWV, waarbij het gesprek met de Adviseur Werk in de zevende en tiende WW-maand deels ook telefonisch plaatsvindt, is dus niet minder effectief dan wanneer alle gesprekken face-to-face zouden worden gehouden.

Onderzoekspopulatie en inzet re-integratiedienstverlening

De bovenstaande conclusies zijn gebaseerd op een analyse van de uitkeringsduur, het moment van werkhervatting en de inzet van re-integratiedienstverlening bij WW-klanten die tussen 1 april 2008 en 1 oktober 2010 zijn ingestroomd in de WW. Deze werkzoekenden worden gevolgd totdat ze uitstromen uit de WW en maximaal tot 1 april 2012. In het onderzoekbestand zijn 590 duizend personen in totaal ruim 671 duizend keer ingestroomd in een WW-uitkering (92 procent van de totale instroom in die periode). In 12 procent van deze WW-perioden is door UWV re-integratiedienstverlening ingekocht (79 duizend trajecten), in ruim 40 procent hebben er één of meer vervolggesprekken plaatsgevonden tussen werkzoekenden en een Adviseur Werk van UWV (271 duizend WW-perioden) en in bijna 26 procent van de WW-perioden heeft UWV zelf re-integratieactiviteiten ingezet (172 duizend WW-perioden).

  Re-integratiedienstverlening in de WW

Lees ook:

Tags assigned to this article:
baanzoekersre-integratieuwvwerkmarktWW