De echte vragen over de verzorgingsstaat gaan verder dan de betaalbaarheid – Het Filosofisch Kwintet tenslotte

Het filosofisch kwintet van omroep Human nodigde vijf weken lang uit om na te denken over de verzorgingsstaat. Mirjam Gaasterland bekeek de uitzendingen en becommentarieerde die vervolgens op De WerkMarkt. In de opening van elke aflevering werd aangegeven: “We krijgen dagelijks te horen dat de verzorgingsstaat in de huidige vorm niet te handhaven is.” Maar de vraag of dit waar is, is niet aan de orde geweest. Na vijf wekelijkse besprekingen nu een poging tot een overzicht.

De verzorgingsstaat is er voor mensen die (nog) niet, niet meer, of tijdelijk niet voor zichzelf kunnen zorgen. Daarvoor hebben we onderwijs, AOW en pensioenen en gezondheidszorg. Deels als overheidstaken, deels via verzekeringen.

Draagkracht of draagvlak?
Met de vergrijzing groeit het aantal mensen dat een beroep doet op de verzorgingsstaat is de algemeen heersende gedachte. De feiten spreken dit tegen. De demografische druk (CBS: som van het aantal personen van < 20 jaar en > 65 jaar in verhouding tot het aantal personen van 20 tot 65 jaar) is in de periode 1950 – 2011 gedaald van 81,9% tot 64,2%. In dezelfde periode is de welvaart toegenomen. Dit betekent dat de draagkracht van de samenleving om een vangnet te creëren, is toegenomen.
Het gaat dus niet zozeer over draagkracht maar over het draagvlak, de legitimiteit van de verzorgingsstaat. Hiermee is overigens niet gezegd dat het niet een goede gedachte is om de pensioenleeftijd op te trekken.

Economisering
Terecht is opgemerkt dat op alle terreinen sprake is van economisering. Als individu word je gestimuleerd een calculerende burger te zijn. Jaarlijks ‘moet’ je het aanbod van energiemaatschappijen en van zorgverzekeringen vergelijken om te onderzoeken of er nog een paar tientjes te verdienen zijn. Voor de samenleving wordt de markt geïdealiseerd die het allemaal zoveel efficiënter en goedkoper maakt. Ook hier lijkt er een verschil tussen feiten en beeldvorming.

Aanbesteding re-integratie
Onwetendheid of bewust sturen op het gewenste beeld? Ik herinner mij een discussie die ik voerde met een politicus over aanbesteding van re-integratietrajecten. ‘Het was toch allemaal zoveel goedkoper geworden’. Maar de kosten van het aanbestedingssysteem zelf werden niet meegerekend. Hoeveel ambtenaren waren bezig geweest om daar een bruikbaar protocol voor te ontwikkelen en de offertes te beoordelen. En maatschappelijk gezien: hoeveel talent was verspild aan het uitbrengen van offertes door bureaus die buiten de boot vielen. En dan hebben we het nog niet over het feit dat prijs boven kwaliteit ging.

Onderwijs en zorg
De economisering speelt een rol in het onderwijs, zo is geconstateerd. Het onderwijs moet mensen afleveren die kunnen bijdragen aan (de groei van) de economie. De kosten van de gezondheidszorg lijken minder van belang als de zorg leidt tot genezing waardoor mensen weer economisch kunnen bijdragen.
De instituties worden als gevolg van de economisering grote onoverzichtelijke instellingen met extra bestuurslagen, waarin de organisatiebelangen (en belangen van het management) belangrijker lijken dan de inhoud en de kwaliteit van het onderwijs/ de gezondheidszorg. De schaalvergroting leidt ook tot een groter risico van mismanagement met maatschappelijke gevolgen die moeizaam op te vangen zijn.

Uitvallers
Uitvallers zijn die mensen die tijdelijk of permanent niet voor zichzelf kunnen zorgen. Mensen die niet mee kunnen in het onderwijs zijn of worden relatief vaak uitvallers.
Ook ongezond gedrag vergroot het risico op uitvallen – en door hun beroep op de gezondheidszorg vormt deze groep een kostenpost voor de verzorgingsstaat. Zowel in de aflevering over uitvallers als in de aflevering over het onderwijs werd gesproken over een samenleving die hard is voor mensen die niet mee kunnen.

Aanwezigheidsplicht
Over niet werken: ”De samenleving is hard. Mensen zijn niet allemaal in staat om in deze harde en complexe samenleving aan de norm te voldoen.”
Over het onderwijs: “Er is sprake van hardvochtigheid en harteloosheid naar jongeren die het cognitief niet aan kunnen. De leerplicht verwordt voor deze groep vaak tot een aanwezigheidsplicht.” Leren wordt hiermee een negatieve ervaring en de natuurlijke leergierigheid en het plezier van jezelf ontwikkelen wordt de kop ingedrukt.

Ontbreken van solidariteit
Een andere dimensie van uitvallen wordt gevormd door mensen die zich weinig gelegen laten liggen aan omgangsvormen. Het onderwijs moet opvoedkundige taken overnemen en vindt ouders tegenover zich in plaats van dat ouders en leerkrachten gezamenlijk optrekken. Het individualisme en het gebrek aan gedeelde normen en waarden zijn oorzaak van het ontbreken van solidariteit en samenhang.
Als coach heb ik jarenlang gewerkt met uitvallers. Het is geweldig om te zien hoe mensen weer in beweging komen, het gevoel krijgen dat ze erbij horen, plezier krijgen in nieuwe dingen leren, zich ontwikkelen. Ik herinner mij een vrouw met een slechte naam bij alle hulpverleningsinstellingen waarmee ze te maken had. Na een kort traject kwam ze in beweging. Op de vraag waarom het nu wel lukte zei ze: “omdat ik me eindelijk als mens behandeld voelde”. Ook uitvallers zijn mensen met – onbenutte – kwaliteiten. Zowel voor het individu als voor de samenleving is het van grote waarde als die onbenutte kwaliteiten ontwikkeld en ingezet kunnen worden.

Bedreiging door Europa
Misschien kunnen we wel stellen dat Europa symbool staat voor het gebrek aan draagvlak voor de verzorgingsstaat. Mensen voelen zich bedreigd door een samenleving die steeds complexer wordt. En de schaalgrootte van Europa versterkt dat gevoel van bedreiging. Meedoen en je ontwikkelen vraagt in de samenleving van nu om veel meer kwaliteiten dan in de overzichtelijke wereld van de jaren ’60 en ‘70.
Vooral de uitvallers voelen zich bedreigd doordat zij het tempo van de veranderingen niet kunnen bijhouden. De elite die destijds voorop liep met Europese idealen was er niet op uit om er zelf beter van te worden en werd nog als betrouwbaar en geloofwaardig ervaren. De huidige politici en financiële deskundigen, die ondanks de crisis de voordelen van Europa aanprijzen, weten zelf ook niet hoe het verder moet en worden niet langer vertrouwd.

Visie op de verzorgingsstaat
De Deense socioloog Esping-Andersen (bron: Wikipedia) maakte een onderscheid in verschillende typen verzorgingsstaten. Nederland wordt beschouwd als mengvorm: gericht op corporatisme in West-Europa en op democratisch-socialisme in Noord-Europa.
Het sociaaldemocratisch of Scandinavisch type kent een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid met relatief hoge, vrij algemeen toegankelijke uitkeringen. De burgers betalen veel premies en belasting, met als gevolg dat er goede regelingen voor ouderschapsverlof en een hoge arbeidsmarktparticipatie is, ook door vrouwen.

Corporatistisch of liberaal
Het corporatistisch of continentaal type heeft ook een hoog voorzieningsniveau, maar de toekenning van rechten is selectiever. Werknemers- en werkgeversorganisaties spelen een belangrijke rol; de rol van de overheid op de arbeidsmarkt is beperkt. Relatief weinig vrouwen en oudere mannen hebben een baan. Werknemers zijn goed tegen ontslag beschermd.
In het liberaal of Angelsaksisch type ligt het niveau van sociale voorzieningen veel lager en uitkeringen zijn moeilijker te krijgen. Bovendien zijn de uitkeringspercentages lager en is de duur korter. De overheid bemoeit zich weinig met de zorgtaken en trekt daar weinig geld voor uit.

Mengvorm
Nederland wordt beschouwd als een mengvorm van het corporatistisch en het sociaaldemocratische type verzorgingsstaat. Je kunt je afvragen of we het afgelopen decennium niet richting Angelsaksisch type zijn opgeschoven. Misschien nog niet feitelijk maar wel in de wijze waarop er over de verzorgingsstaat wordt gedacht en gesproken.
Vergelijkbaar is de beweging in de economie waar we het Rijnlands model hebben ingeruild voor het Angelsaksische model. Als we kijken naar de Duitse economie die veel beter bestand lijkt tegen de crisis dan lijkt het goed als we ons daar nog eens op bezinnen. Al is het maar omdat die economie beter te begrijpen is en er minder plaats is voor riskante luchtballonnen en hypes.

Managementscope geeft een mooie definitie van beide modellen:
“Het Rijnlandse Model staat voor de overlegcultuur, voor solidariteit, voor waardering voor vakmanschap en voor andere waarden dan alleen geld, zoals kwaliteit en geluk.
Daarmee staat het lijnrecht tegenover het Angelsaksische model in zijn meest rauwe vorm waarbij geld vaak de enige maatstaf lijkt te zijn, de aandeelhouder de baas is en processen alleen nog maar zo efficiënt en goedkoop mogelijk worden gemanaged.”

Waarden die er echt toe doen
De eerlijkheid gebiedt om te zeggen dat er ook nadelen van het Rijnlands model worden geschetst maar deze vallen in het niet bij de voordelen. Maar het voordeel zit vooral in de principiële keuze voor waarden die er echt toe doen.

Mirjam Gaasterland is socioloog en al ruim 20 jaar werkzaam op het gebied van mens en werk. Ze heeft brede ervaring met loopbaancoaching, re-integratie en sociale activering. Mirjam heeft sinds 2011 een eigen bedrijf: Gaasterland Coaching.

mirjam@gaasterlandcoaching.nl | www.gaasterlandcoaching.nl | www.linkedin.com/in/mirjamgaasterland | twitter @mgaasterland

Lees ook de eerdere afleveringen:
  1. Wat is werk en wat de waarde van werk? – Het Filosofisch Kwintet 1
  2. De verzorgingsstaat en de uitvallers – Het Filosofisch Kwintet 2
  3. Is Europa een bedreiging voor onze verzorgingsstaat? – Het Filosofisch Kwintet 3
  4. Gezondheidszorg en de houdbaarheid van de verzorgingsstaat – Het Filosofisch Kwintet 4
Lees ook: